Verduidelijking van het basispakket - Standpunten

Alleen zorg die als effectief wordt beschouwd, mag onderdeel uitmaken van het basispakket. Zowel in de Zorgverzekeringswet (Zvw) als in de Wet langdurige zorg (Wlz) is dit criterium vastgelegd met de juridische term 'Stand van de wetenschap en praktijk'. Vaak is zonder meer duidelijk of zorg effectief is en dus aan dat wettelijk criterium voldoet, maar niet altijd. In zulke gevallen kan het Zorginstituut toetsen of die zorg in aanmerking komt voor vergoeding vanuit het basispakket. Hoe het Zorginstituut die toetsing uitvoert, is vastgelegd in het rapport 'Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk'.

Stand van de wetenschap en praktijk

Om te bepalen of zorg aan de 'stand van de wetenschap en praktijk' voldoet, volgt het Zorginstituut de principes van evidence based medicine (geneeskunde op basis van bewijs). Bij deze methode gaat het om het zorgvuldig, expliciet en oordeelkundig gebruikmaken van het best beschikbare bewijsmateriaal. We hanteren als uitgangspunt dat voor een positieve beslissing medisch-wetenschappelijke gegevens met een zo hoog mogelijke bewijskracht aanwezig moeten zijn. We gebruiken voor die beoordeling in principe alleen gepubliceerde en peer-reviewed literatuur.

Standpunt

Na de beoordeling of zorg voldoet aan de 'stand van wetenschap en praktijk' brengt het Zorginstituut een standpunt uit. Een standpunt over ‘de stand van de wetenschap en praktijk’ heeft gevolgen voor de rechten van verzekerden. Met name als er sprake is van een positief standpunt kan het van belang zijn dat het Zorginstituut aangeeft op welk moment voldaan is aan het criterium ‘de stand van de wetenschap en praktijk’. Dat is het moment waarop de zorg tot de te verzekeren prestaties is gaan behoren (indien ook aan de overige voorwaarden is voldaan). Het standpunt gaat in op het moment van publicatie of het gaat in op de datum die het Zorginstituut aangeeft.

Verschil tussen standpunten en adviezen

Met het innemen van een standpunt bepaalt het Zorginstituut of een zorgvorm al dan niet tot de te verzekeren prestaties behoort van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Het gaat hierbij om de vraag of die zorgvorm voldoet aan de wettelijke criteria zoals ‘stand van de wetenschap en praktijk’ en ‘plegen te bieden’. Het Zorginstituut heeft hier een eigenstandige wettelijke bevoegdheid. Omdat een standpunt niet leidt tot aanpassing van de Zvw of Wlz is geen besluitvorming door de minister van VWS nodig.
Bij adviezen ligt dit anders. Het Zorginstituut kan de minister van VWS of van Medische Zorg en Sport gevraagd en ongevraagd adviseren over de aard, inhoud en omvang van het basispakket. Het besluit om deze adviezen al dan niet te volgen en de regelgeving aan te passen, is voorbehouden aan de minister.