Het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen vormt een aanspraak in de Wet Langdurige zorg (Wlz-aanspraak). Op dit moment komt echter alleen het individueel gebruik van standaard rolstoelen en aangepaste rolstoelen bij een verzekerde die verblijf en behandeling ontvangt van dezelfde instelling ten laste van de Wlz.

Aanspraak in de Wlz

Het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen vormt een Wlz-aanspraak (artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet langdurige zorg).

Het individuele gebruik van mobiliteitshulpmiddelen omvat het gebruik voor het zich verplaatsen of laten verplaatsen:

  • in en rondom de instelling of woning ten behoeve van het behoud of het verbeteren van de zelfredzaamheid, en
  • in de lokale omgeving ten behoeve van het aangaan of onderhouden van sociale contacten (artikel 3.1.2 van het Besluit langdurige zorg).

Als mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik kan alleen een rolstoel en de daarbij behorende voor de verzekerde noodzakelijke aanpassingen ten laste van de Wlz worden gebracht (artikel 2.3, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg).
Daarnaast kunnen voorlopig alleen Wlz-gerechtigden die verblijf én behandeling van dezelfde Wlz-instelling ontvangen aanspraak maken op het individueel gebruik van een rolstoel ten laste van de Wlz (artikel 11.1.6 van de Wet langdurige zorg). Redenen waarom de aanspraak op het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen voorlopig is beperkt, staat hieronder beschreven in ‘achtergrond informatie beperkte aanspraak’.

Het individueel gebruik van een rolstoel

Onder het individueel gebruik van een rolstoel behoren zowel standaardrolstoelen, als voor individueel gebruik aangepaste rolstoelen. Ook kan hieronder elektrische hulpaandrijving vallen.
De voor verzekerde noodzakelijke aanpassing, vervanging, het noodzakelijke onderhoud en herstel van de in gebruik gegeven rolstoel vallen eveneens onder de aanspraak.

Een orthesejas kan een voor verzekerde noodzakelijke aanpassing zijn van de rolstoel. Dit staat beschreven in het standpunt 'aanspraak Orthesejas ten laste van de Wlz bij noodzakelijke aanpassing van de rolstoel'.

Voorwaarden voor verstrekking rolstoel

Het recht op het individueel gebruik van een rolstoel bestaat als dat gebruik is aangewezen in verband met het ontbreken van de loopfunctie of in verband met blijvende of langdurige loopfunctiestoornissen. Voorafgaand aan het verstrekken van een rolstoel is toestemming van het zorgkantoor nodig. Het zorgkantoor bepaalt welke rolstoel het meest is aangewezen.

Tweede exemplaar

Als verzekerde daar op is aangewezen, kan naast de  reeds verstrekte rolstoel, een tweede exemplaar, in een andere uitvoering in gebruik worden gegeven (artikel 2.3, tweede lid van de Regeling langdurige zorg), bijvoorbeeld een rolstoel voor binnen en een rolstoel voor buiten.

Verantwoordelijkheid zorgkantoor

Het zorgkantoor bepaalt welke rolstoel het meest is aangewezen voor de verzekerde. En is verantwoordelijk voor de levering van een rolstoel en alle toebehoren.

Achtergrondinformatie beperking aanspraak

Het was aanvankelijk de bedoeling het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen voor alle Wlz-gerechtigden ten laste van de Wlz te laten komen. De volgende mobiliteitshulpmiddelen zouden onder de aanspraak vallen:

  • een rolstoel en de daarbij behorende voor de verzekerde noodzakelijke aanpassingen;
  • een aan de aandoening, beperking of handicap van de verzekerde aangepaste scootmobiel;
  • een aan de aandoening, beperking of handicap van de verzekerde aangepaste niet algemeen gebruikelijke fiets.

Bij de tweede nota van wijziging is echter besloten dat Wlz-gerechtigden die thuis wonen (met een vpt, mpt en/of pgb) en Wlz-gerechtigden die verblijf zonder Wlz-behandeling ontvangen, voor mobiliteitshulpmiddelen nog geen beroep kunnen doen op de Wlz, maar op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) (artikel 11.1.6 van de Wet langdurige zorg). Dit omdat voor deze groepen Wlz-gerechtigden het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen nog niet goed vanuit de Wlz kan worden geregeld.

Bestuurlijke afspraken

Inmiddels hebben VWS, ZN en de VNG in bestuurlijke afspraken vastgelegd dat voor Wlz-gerechtigden die zorg thuis ontvangen het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen definitief niet onder de Wlz zal worden gebracht. Voor Wlz-gerechtigden met verblijf in een instelling zal het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen wel onder de Wlz moeten komen. Voor Wlz-gerechtigden die verblijf zonder behandeling ontvangen, is dit echter nog niet wettelijk geregeld.  

Dat betekent dat in 2017 en 2018 alleen Wlz-gerechtigden die verblijf met behandeling (in een instelling) ontvangen, recht hebben op mobiliteitshulpmiddelen voor individueel gebruik ten laste van de Wlz.
Het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen in de Wlz blijft bovendien beperkt tot het gebruik van standaard rolstoelen en aangepaste rolstoelen. De onderdelen b en c van artikel 2.3 van de Regeling langdurige zorg, die het recht op het individueel gebruik van een aangepaste scootmobiel en aangepaste fiets regelden waren aanvankelijk niet in werking getreden en bij de laatste wijziging van de Regeling langdurige zorg  zijn deze onderdelen komen te vervallen.