Aanpassingen Regeling paramedische herstelzorg na COVID-19

Het nieuwe coronavirus veroorzaakt de ziekte COVID-19. Sommige mensen die deze ziekte hebben gehad, hebben tijdens hun herstel ernstige klachten of beperkingen. De huisarts of medisch specialist kan in dat geval beoordelen of iemand in aanmerking komt voor paramedische herstelzorg. Voor de vergoeding van deze herstelzorg uit het basispakket geldt tot 1 augustus 2021 een tijdelijke regeling. In de eerste helft van 2021 onderzoekt het Zorginstituut samen met C-support of 2 voorwaarden van deze regeling moet worden aangepast.

Knelpunten in voorwaarden inventariseren

In de regeling voor paramedische herstelzorg is aan de vergoeding een aantal voorwaarden gesteld. 2 belangrijke voorwaarden zijn:

  • Als paramedische herstelzorg is gestart op of na 1 november 2020, mag er maximaal 4 maanden zitten tussen het einde van het acute infectiestadium van COVID-19 en het moment van verwijzing. Het acute infectiestadium is de fase van COVID-19 waarin een patiënt symptomen heeft als koorts, benauwdheid met verminderde zuurstofopname, lamlendigheid, misselijkheid, diarree, heftige spierpijn of hoofdpijn. De arts die verwijst, stelt in overleg met de patiënt vast wanneer het einde van het acute infectiestadium ongeveer was bereikt. Na verwijzing moet de eerste behandelsessie binnen 1 maand plaatsvinden.
  • De maximale periode van behandeling is 6 maanden. Na deze eerste behandelperiode kunnen mensen in uitzonderlijke gevallen een verwijzing krijgen voor een tweede behandelperiode van 6 maanden. De medisch specialist beoordeelt wie daarvoor in aanmerking komt.

De Tweede Kamer heeft op 10 maart 2021 een motie aangenomen met een verzoek om deze 2 voorwaarden als volgt aan te passen:

  • de termijn van 4 maanden na de acute infectiefase waarbinnen mensen die COVID-19 hebben gehad zich moeten melden verlengen of schrappen;
  • de verwijzing voor een tweede behandelperiode door een huisarts mogelijk maken (in plaats van alleen door een medisch specialist).

De minister voor Medische Zorg en Sport geeft in haar reactie op deze motie aan dat ze Zorginstituut Nederland en C-support naar de voorwaarden laat kijken. Zij doen dit aan de hand van de praktijkgevallen waarin mensen tegen knelpunten in de regeling zijn aangelopen en die bij C-support zijn gemeld. Op basis van deze praktijkgevallen beoordelen het Zorginstituut en C-support in hoeverre de periode van 4 maanden en de verwijzer voor de tweede behandelperiode knelpunten zijn in de uitvoering van de regeling en hoe die aangepast moeten worden. Ook inventariseren we of er nog andere belangrijke knelpunten zijn. Als dat nodig blijkt te zijn, brengt het Zorginstituut een advies uit aan de minister over mogelijke aanpassingen van de regeling.

Beslissen over verlenging van de regeling

Paramedische herstelzorg bij patiënten die ernstige COVID-19 hebben doorgemaakt, is nog geen bewezen effectieve zorg. Dat betekent dat deze zorg niet zomaar vergoed kan worden uit het basispakket. Om paramedische herstelzorg toch snel vergoed te krijgen, hebben we gebruik gemaakt een wettelijke mogelijkheid om zorg tijdelijk uit het basispakket te vergoeden. Dit wordt ook wel voorwaardelijke toelating genoemd. In dit geval houdt dit in dat de minister voor Medische Zorg en Sport heeft besloten paramedische herstelzorg tot 1 augustus 2021 toe te laten tot het basispakket. Voordat deze toelating afloopt, besluit de minister over het wel of niet verlengen van de regeling.

Planning

Planning van het project

Stap in het proces

Datum
Knelpunten in voorwaarden inventariseren maart-juni 2021
Indien nodig, advies aan de minister van VWS uitbrengen over aanpassen voorwaarden juni 2021

Voor informatie

Voor informatie over deze beoordeling kunt u contact opnemen met:

Harald Miedema
E-mail: hmiedema@zinl.nl