In deze uitvoeringstoets stelt het Zorginstituut (voorheen CVZ) 5 voorstellen voor die samen een reëel alternatief vormen voor het terugbrengen van het aantal te vergoeden IVF-pogingen. Vanuit het oogpunt van kwaliteit en doelmatigheid verdienen deze alternatieve voorstellen de voorkeur boven het oorspronkelijke voorstel tot beperking van de vergoeding voor IVF: van 3 naar 1 poging.
Doelmatigheidswinst
Het Zorginstituut komt tot de conclusie dat in de alternatieve besparingsvoorstellen patiënten meer ontzien worden doordat de bezuiniging niet uitsluitend bereikt wordt door beperking van verzekeringsrechten, maar vooral door doelmatigheidswinst. Het gaat daarbij om de volgende voorstellen:
- Terugplaatsing van 1 embryo in plaats van 2 bij de eerste twee IVF-pogingen bij alle vrouwen tot 38 jaar. Dit leidt tot vermindering van het aantal risicovolle meerlingzwangerschappen.
- Afwachtend beleid bij alle vrouwen met goede prognose (om zwanger te raken). Dit leidt tot vermindering van het aantal onnodige en belastende behandelingen door ‘spontane’ zwangerschappen in de wachttijd.
- Doelmatig medicijngebruik door te kiezen voor het even effectieve maar goedkopere medicament.
- Op maat aanbieden van middelen voor hormonale stimulatie. Dit leidt tot afname van verspilling van medicijnen.
- De introductie van een leeftijdgrens voor vergoeding van diagnostiek en behandeling van vruchtbaarheidsproblemen (tot 43 jaar). Bij het verstrijken van de vruchtbare leeftijd kan immers niet meer worden gesproken van een stoornis in de vruchtbaarheid, maar gaat het om een natuurlijk verlies van vruchtbaarheid. Een leeftijdsgrens geeft duidelijkheid in de uitvoering en voorziet in de behoefte van gynaecologen en patiënten.
Bij naleving van de maatregelen bedraagt het geschatte besparingspotentieel van deze alternatieven volgens het CVZ maximaal 38 miljoen euro.
Of de vereiste besparing ook daadwerkelijk hierdoor bereikt wordt, kan niet met zekerheid voorspeld worden.
Het Zorginstituut adviseert de minister partijen te verplichten de toezeggingen in concrete, schriftelijke afspraken vast te leggen en daarover periodiek te rapporteren. Het Zorginstituut is desgevraagd bereid de uitvoering te volgen en de minister hierover te informeren.