Afspraken over verbeteren zorg bij baarmoederhalsafwijking CIN

Het Zorginstituut en de betrokken partijen uit de zorg stellen vast dat de zorg voor vrouwen met de baarmoederhalsafwijking cervicale intra-epitheliale neoplasie (CIN) nog beter kan. De verbeteringen zijn: vrouwen met CIN alleen behandelen als het echt nodig is, hen in het vervolgtraject zoveel mogelijk dezelfde zorg geven en zorgen voor betere informatie waarmee zij samen met hun behandelaar de best passende behandeling kunnen kiezen. De afspraken met patiënten en zorgprofessionals om deze verbeteringen te realiseren staan in het ‘Verbetersignalement Baarmoederhalsafwijking CIN’, dat het Zorginstituut onlangs heeft uitgebracht.

Baarmoederhalskanker

Baarmoederhalsafwijking CIN

In de baarmoederhals kunnen afwijkende cellen groeien. Dit gebeurt onder invloed van HPV, het humaan papillomavirus. Als bij een vrouw in het uitstrijkje van de baarmoederhals afwijkende cellen gevonden worden, wordt zij naar een gynaecoloog verwezen voor nader onderzoek. Als bij dit onderzoek CIN wordt gevonden, wordt de ernst van de afwijking aangegeven met de gradaties CIN 1, CIN 2 of CIN 3. CIN 1 is de lichtste vorm (laaggradig) en CIN 3 is de zwaarste vorm (hooggradig). CIN 1 gaat vaak vanzelf over. Bij CIN 3 is er een grote kans op verergering naar baarmoederhalskanker.

CIN alleen behandelen als echt het nodig is

In de praktijk blijken er verschillen te zijn in de behandeling van vrouwen met CIN. Te veel vrouwen met CIN 1 en jonge vrouwen met CIN 2 worden behandeld en te weinig vrouwen met CIN 3. De zorg zal verbeteren als zorgprofessionals de Nederlandse richtlijn beter volgen en alleen behandelen als het nodig is.

De medische richtlijn voor behandeling schrijft voor om alleen vrouwen met CIN 3 te opereren. Soms ook vrouwen met CIN 2, maar dan alleen als er geen kinderwens meer is. De operatie is meestal een lisexcisie. Daarbij wordt een deel van de baarmoederhals verwijderd. Een lisexcisie kan echter ongunstige gevolgen hebben voor een latere zwangerschap. Dat is een belangrijke reden om niet meteen te opereren.

Dezelfde zorg in het vervolgtraject

Vrouwen met CIN komen in een vervolgtraject. Hierin controleert de arts hoe de baarmoederhalsafwijking zich ontwikkelt en vindt waar nodig (alsnog) behandeling plaats. Uit onderzoek blijkt dat de controles in het vervolgtraject niet overal even vaak en niet op dezelfde manier plaatsvinden. Vrouwen met CIN krijgen soms helemaal geen controle, andere vrouwen krijgen één keer per jaar een controle en sommige vrouwen twee keer per jaar.

Drie verbeteringen kunnen eraan bijdragen dat vrouwen altijd de beste zorg in het vervolgtraject krijgen, namelijk door:

  • de richtlijn voor het vervolgtraject beter te volgen bij onbehandelde CIN 1 en bij behandelde CIN 2 en CIN 3;
  • de richtlijn voor het vervolgtraject te verduidelijken voor onbehandelde CIN 2;
  • de richtlijn voor het vervolgtraject aan te vullen voor behandelde CIN 1 en onbehandelde CIN 3.

Betere informatie voor Samen Beslissen

Samen Beslissen is alleen mogelijk als heldere patiënteninformatie beschikbaar is. Dit helpt artsen en patiënten om samen beter te overleggen over het kiezen van de best passende behandeling. Daarom zouden vrouwen vóór het eerste consult bij de gynaecoloog betere informatie moeten krijgen over CIN en de behandelmogelijkheden. Verder zouden vrouwen met een hoog risico op het krijgen van een HPV-infectie geïnformeerd moeten worden over de risico’s van roken. Roken vergroot namelijk de kans op de ontwikkeling van een baarmoederhalsafwijking of baarmoederhalskanker.

Volgende stap: verbeteracties uitvoeren

De betrokken partijen in de zorg zijn verantwoordelijk voor de implementatie van de verbeteracties. Zij hebben hierover met het Zorginstituut afspraken gemaakt die in het verbetersignalement zijn opgenomen. Als de partijen de verbeteringen conform de afspraken uitvoeren, zullen vrouwen met CIN minder risico lopen op complicaties in een (mogelijke) toekomstige zwangerschap en wordt eventuele verergering naar baarmoederhalskanker voorkomen. Ook zullen deze vrouwen beter geïnformeerd zijn over hun baarmoederhalsafwijking en de behandelmogelijkheden ervan. Deze kennis stelt hen in staat om samen met de behandelaar te beslissen over hun zorgtraject.
Het Zorginstituut zal jaarlijks samen met de partijen nagaan of de afgesproken acties zijn uitgevoerd en verslag uitbrengen aan de minister voor Medische Zorg en Sport.

Zinnige Zorg

De verbeterafspraken over de zorg voor vrouwen met CIN maken deel uit van het programma Zinnige Zorg. In dit programma brengt het Zorginstituut samen met patiëntenorganisaties, zorgprofessionals, zorginstellingen en zorgverzekeraars in beeld hoe de zorg die vanuit het basispakket wordt vergoed kan worden verbeterd. In elk Zinnige Zorg-project nemen we een zorggebied vanuit het perspectief van de patiënt onder de loep, vanaf het moment dat de aandoening ontstaat tot en met de nazorg.