Standpunt verwijderen (explantatie) van siliconen borstimplantaten bij aanhoudende systemische klachten

Volgens de huidige wetgeving en regelgeving is het verwijderen (explantatie) van een borstimplantaat onderdeel van het basispakket, wanneer er sprake is van een medische noodzaak voor verwijdering. Het Zorginstituut heeft de afgelopen jaren geregeld de vraag gekregen: 'Is er sprake van een medische noodzaak voor verwijdering van de implantaten bij vrouwen die aanhoudende systemische klachten hebben (ondanks eerdere gerichte behandeling van die klachten)?
Het Zorginstituut oordeelt dat er in geval van aanhoudende systemische klachten, sprake is van een medische noodzaak voor het verwijderen van het siliconen borstimplantaat. Er gelden wel voorwaarden.

Voorwaarden

Er moet wel sprake zijn van gebleken irresponsiviteit op andere behandelingen gericht op het verminderen van de systemische klachten. De Verwijdering (explantatie) moet gezien worden als een laatste middel.
Dit betekent dat het gaat om anderszins uitbehandelde patiënten die voorafgaand aan de explantatie onder behandeling zijn (geweest) voor hun systemische klachten door een medisch specialist, zoals een internist of klinisch immunoloog. Verder moeten de klachten aantoonbaar fysiek en/ of sociaal disfunctioneren veroorzaken.

Systemische klachten

Siliconen borstimplantaten kunnen mogelijk systemische klachten veroorzaken. Systemische klachten omvatten onder andere klachten behorend bij auto-immuunziekten, zoals:

  • myalgie (spierpijn),
  • myositis (chronische spierontsteking),
  • artralgie (gewrichtspijn),
  • artritis (chronische gewrichtsontsteking) en
  • moeheid/malaise.

Daarnaast kunnen ook andere klachten optreden, zoals:

  • concentratiestoornissen (vergeetachtigheid),
  • sicca (droge mond/droge ogen) en
  • pyrexie (koortsachtigheid).

De ernst van de klachten varieert van mild tot invaliderend.

Opstellen protocol

Om de toetsing op ‘aanhoudende systemische klachten’ in de toekomst eenduidiger te laten verlopen is het gewenst dat zorgaanbieders in samenspraak met zorgverzekeraars en patiënten een protocol ontwikkelen. Andere aspecten, zoals duur van de aanhoudende systemische klachten en welke eerdere behandelingen minimaal gedaan moeten zijn, kunnen hier in betrokken worden. Het voortouw hiervoor ligt bij de beroepsverenigingen. Indien nodig of gewenst, is het Zorginstituut bereid om het proces te faciliteren.